Speeldrift
1 juni, 2009 · Print dit artikel
Als me gevraagd wordt waarom ik mediteer komt er een herinnering bij me naar boven uit de tijd dat ik een jaar of vijftien was: Thuis sta ik met mijn gezicht dichtbij de spiegel en ik kijk mezelf in de ogen. Ik probeer mijn blik te vangen. Steeds sneller te kijken dan de weerkaatsing van mijn oog naar de spiegel en weer terug. Alsof in de weerkaatsing wat te vangen is.
“Wat is er gaande achter de ogen, wat is daar te kennen?” Ik weet nog dat dat door mijn hoofd ging. Dat zoekproces nog steeds is nog steeds gaande. Nu in mijn meditaties.
Uit het boek Speeldrift van Juli Zeh pagina 245/246, het volgende citaat. Ik denk dat dit citaat mijn herinnering staande voor de spiegel illustreert:
“Ik heb je de tijd verklaart, nu is het de beurt aan de ruimte. Die hele opgezwollen waanvoorstelling, deze onmetelijke speelplaats der waarnemingen, zit in één enkele punt opgesloten. Wijzelf doen hem open als de uitvouwplaatjes van een kinderboek, en de motor van deze gigantische schepping is de onderscheidingsdwang die ons in alles naar het tegendeel doet zoeken. Geen punt zonder streep, geen nietigheid zonder eindeloosheid. Zonder groot zou er geen klein zijn, geen hard zonder zacht, het lelijke zou niet bestaan zonder schoonheid. We zien van iets dat het zwart is omdat er witte dingen zijn, waarvan het zich kan onderscheiden. Geen rood zonder blauw, geen mens zonder dier.
Veelsoortigheid heeft plaats nodig en de wereld wordt opgeblazen als een stuk kauwgum. Precies zoals alle gebeurtenissen in één enkele seconde plaats zouden kunnen vinden als ze besloten dat ze gelijktijdig zouden wilden gebeuren, leeft al het plaatselijke in één punt. Je vraagt hoe de mens dan een deel van die punt zou kunnen zijn.”
“Het geheim is dat een klein deel van de mensen buiten die punt blijft. Wat buiten de ruimte ligt, bevindt zich buiten de tijd , waarmee we meteen ook ontdekt hebben wat de onsterfelijke ziel is. Eén instantie moet alles overdenken en onderscheid maken en kan zelf geen voorwerp van deze beschouwingen zijn.
Een mes kan alles snijden, behalve zichzelf; een vinger kan naar alles wijzen behalve naar zichzelf. Als ik mijn gezicht in de spiegel bekijk, over mijn eigen bewustzijn nadenk of me afvraag wie ik ben, blijft er altijd een deel achter, dat geen greep op zichzelf kan krijgen.
Ergens in ons is die laatste piepkleine kruimel, die altijd een stap achteruit doet als we denken een blik op hem geworpen te hebben – want hij is degene die kijkt. Dat is de ziel, die heeft de wereld geschapen, je kunt hem God noemen, Hij blijft altijd over als de onvermijdelijke uitkomst van de aftreksom als iemand van ons sterft. Het universum is verklaard. We kunnen gaan slapen.”

Berichtjes
Laat zelf een berichtje achter...